Economie

De economie is moderner dan die van de andere Oost-Afrikaanse landen. Ca. 76% van de beroepsbevolking was in 1993 werkzaam in de landbouw; de bijdrage van deze sector aan het bruto nationaal product (bnp) was echter slechts 30%. Het overgrote deel van de Kenianen woont in een gebied met redelijk tot goede akkerbouwgronden (20% van het totaaloppervlak). De plattelandsbevolking leeft echter voor een groot gedeelte op het bestaansminimum. Toch is de landbouw de belangrijkste deviezenbron (de helft van de export bestaat uit landbouwproducten, m.n. koffie en thee), gevolgd door het snel groeiende toerisme. Industrie (ca. 17% van het bnp in 1993) en handel (ca. 11% van het bnp) berusten voornamelijk op particulier ondernemerschap. De industriële, agrarische en toeristensector zijn voor een groot deel in handen van buitenlandse ondernemingen.

Voedsel

Voor de binnenlandse markt worden onder andere mais, gierst, sorghum, bonen en aardappelen verbouwd. Deze productie vormt samen met de uitgebreide veeteelt en zuivelproductie de basis voor de voedselvoorziening van het land. Van tijd tot tijd, vooral na droge periodes, moet echter voedsel worden geïmporteerd.

Export

De belangrijkste exportgewassen van Kenia zijn thee, koffie, sisal en pyrethrum, een natuurlijke grondstof voor insecticide. het effect van de recordopbrengst van de koffieoogst in 1986, die samenviel met de mislukte oogst in Brazilië, werkt 10 jaar lang door in de economie van het land. Sinds enige tijd worden ook vruchten, bloemen en groenten naar Europa geëxporteerd. De exportgerichte industrie stelt weinig voor, en komt vooral neer op voorbewerking van thee, koffie en olie.

Markteconomie

De Keniaanse economie is een echte markteconomie met voor de Derde Wereld typische kenmerken van een mixed economy. Dat betekent dat de kapitaalvoorziening geschiedt door particulieren, overheid en buitenlandse geldschieters. De economie ontwikkelt zich tot op heden langs lijnen die nog in de koloniale periode zijn gelegd, al is structureel veel “geafrikaniseerd”. In de landbouw is het grootgrondbezit oppermachtig en de industrie wordt overheerst door buitenlands kapitaal. Aan buitenlandse investeerders werden lange tijd nauwelijks beperkingen opgelegd. Helaas kent de vrije markteconomie ook in Kenia zijn schaduwzijde. De kloof tussen arm en rijk lijkt onderhand onoverbrugbaar. De elite kent een hoge levensstandaard, terwijl het merendeel van de bevolking nauwelijks genoeg te eten heeft.

Ontwikkelingssamenwerking

Arbeidsmigratie naar andere landen komt nauwelijks voor. Een ander probleem is de tegenvallende economische groei; de gemiddelde jaarlijkse groei bedraagt slechts 1% tegen een bevolkingsgroei van vrijwel 4%. Oorzaken hiervan zijn de achterblijvende landbouwproductie (m.n. op de grote collectieve bedrijven) en de negatieve resultaten van een industrialisatiepolitiek die gericht was op het terugdringen van import. De afhankelijkheid van buitenlands kapitaal is groot. Een handicap voor de economische ontwikkeling vormt ten slotte het gebrek aan delfstoffen en energiebronnen, zoals aardolie, aardgas en steenkool. De inflatie bedroeg in de periode 1985 tot 1994 11,7%, in 1994 zelfs 29%.Hoewel de overheid een grotere Keniaanse deelname in de economie voorstaat, moedigt zij ook buitenlandse bedrijven aan in Kenia te investeren. Een belangrijk probleem is de werkloosheid (in 1994 ca. 25%), die vooral door de zeer snelle bevolkingsgroei wordt veroorzaakt.